Beknopte Geschiedenis

van Marken

De geschreven geschiedenis van Marken begint in de 13e eeuw.

Marken lag in het uiterste Oosten van Waterland, een veengebied waar het land overging in het water van het Flevomeer. Aan die overgang van veen naar water ontleent het eiland zijn naam:

Marken betekent namelijk 'grensland' .

Dat Marken in de loop van de 13de eeuw niet ten prooi viel aan de oprukkende Zuiderzee, dankt het aan de monniken van het Friese klooster Mariëngaarde. Rond 1235 werd Marken namelijk eigendom van dat klooster en de norbertijner monniken bouwden er dijken en zorgden voor een afwateringssysteem. Daarnaast ontwikkelden ze landbouw en veeteelt.


Een eeuw later kwam Marken in handen van graaf Willem de Vierde van Holland en werden de monniken verdreven. Daarmee kwam een einde aan de welvaart in Waterland. De dijken raakten. in verval en talloze overstromingen in de 14de en 15de eeuw maakten landbouw en veeteelt vrijwel onmogelijk.

Bovendien dwong de toenemende invloed van het water de bewoners op terpen te gaan wonen. Die terpen noemen we op Marken 'werven'. Oorspronkelijk waren er 27 van die werven, nu zijn er nog twaalf, waarvan acht bebouwd. Alle andere zijn verlaten, door brand verwoest of weggespoeld door de zee.


In de 19e eeuw raakten de werven volgebouwd met de karakteristieke volledig houten woningen. Als uitbreiding werden tegen de werfhellingen huizen op palen gebouwd. Maar nog steeds liep het eiland een paar keer per jaar onder water.

Dramatisch was de laatste grote watersnoodramp - in 1916 - die grote delen van Waterland trof. Toen er, na de afsluiting van de

Zuiderzee in 1932, geen gevaar meer was voor overstroming, werd de ruimte tussen de palen bij de woningen getrokken en ontstonden onderhuizen.


Toen overstromingen een einde maakten aan landbouw en veeteelt werd visserij de belangrijkste bron van inkomsten op Marken. De Zuiderzee leverde niet altijd genoeg op om van te kunnen leven. Daarom gingen in de 17de en 18de eeuw veel Markers ter walvisvaart in het Noordpoolgebied. Later monsterden ze vooral aan op de haringbuizen, schepen die op de Noordzee visten. In de 19de en 20ste eeuw voer men op loggers, vooral vanuit grote vissershavens zoals Emden, Vlaardingen en Katwijk.

Marken had ook een eigen vissersvloot. In 1837 werd een haven aangelegd. Deze haven is in 50 jaar tijd twee keer vergroot. .

In 1890 bestond de Marker vloot uit bijna 200 schepen, maar de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 maakte een eind aan de visserij. Zuiderzee werd IJsselmeer.


In 1957 werd Marken met het vasteland verbonden door een dijk. Twee jaar later was ook de weg over die dijk klaar. En - nog meer dan daarvoor al het geval was - gingen Markers 'aan de wal' werken en naar school.


Sinds 1 januari 1991 is Marken - net als in de Middeleeuwen - weer onderdeel van Waterland, als één van de kernen van de gelijknamige gemeente.